Reglement
Startpagina.
Nieuws.
Contactgegevens.
inschrijven.
Programma.
startlijsten.
Uitslagen.
Winnaars.
Sleepwagens.
Gastenboek.
Foto's.
Filmpjes .
Sponsors.
Reglement.
Reglement

NOORDELIJK TREKKERTREK REGLEMENT 2013

 

A. Deelname.
1.  De deelnemer moet dit reglement ter kennis nemen en dient van het reglement goed op de hoogte te zijn. Voor aanvang van

    de wedstrijd dient men hiervoor te tekenen op het inschrijfformulier.
2.  Een deelnemer moet ten minste 18 jaar oud zijn, dan wel ten minste 16 jaar en in het bezit van een geldig tractorrijbewijs.

3. De deelnemer neemt geheel op eigen risico deel aan de wedstrijd.

4. De motor van een deelnemend voertuig mag alleen worden gestart als de bestuurder op de stoel zit. Pas als de motor

 geheel tot stilstand is gekomen, mag de bestuurder het voertuig verlaten.

5. Het is alleen de bestuurder toegestaan zich op een rijdend voertuig te bevinden. Meerijden is op het gehele wedstrijdterrein

 verboden.

6. Het is de rijder en/of helper ten strengste verboden onder invloed van alcohol of andere stimulerende middelen aan de

 wedstrijd deel te nemen of zich op de baan of in het rennerskwartier te bevinden. Bij overtreding en/of constatering volgt

 diskwalificatie voor de gehele wedstrijddag.

7. Alleen de bestuurder en zijn helper worden tot de wedstrijdbaan toegelaten. Wanneer een ander lid van het team zich

  zonder toestemming op de baan bevindt, kan tot diskwalificatie van het voertuig worden overgegaan. Als baan wordt

  aangemerkt de ruimte binnen de  dranghekken inclusief de opstelruimte na de weegbrug.

8. Een deelnemer kan door de wedstrijdjury van deelname worden uitgesloten wanneer deze zich onsportief gedraagt jegens

 een andere deelnemer, de organisatie of een toeschouwer.

9. Iedere deelnemer dient op eigen kracht voor de sleepwagen te komen en na de trekpoging op eigen kracht de baan te

 verlaten, tenzij er sprake is van materiaalbreuk.

10. Het rijden op het gehele wedstrijdterrein dient stapvoets te geschieden. Bij overtreding volgt uitsluiting van deelname.

11. De deelnemers in een gewichtsklasse dienen zich in startvolgorde op te stellen op aanwijzingen van de wedstrijdleider of

    daarvoor aangestelde functionaris.

12. De trekker dient te allen tijde WA+ verzekerd te zijn. Ook geldig voor deelname aan wedstrijden

B. Klassen

1.  De klassen zijn verdeeld in drie categorieën nl: standaardklasse; sportklasse; supersportklasse

2a. Voor de standaardklasse gelden de volgende regels:

 - de tractor moet een standaard landbouwtractor zijn zonder wijzigingen.

- de hefinrichting moet aanwezig zijn.

- een goed werkend en bereikbare aftakas moet voor een vermogenstest aanwezig zijn.

- de banden mogen niet opgesneden of afgeschuind zijn; Pullerbanden zijn niet toegestaan.

- de aanslagen op de brandstofpomp worden als limiet gerekend

 - de trekker moet voldoen aan de volgende limieten/beperkingen:

2,5 ton: max. 50 kW/68 pk. aftakas vermogen

3,5 ton: max. 70 kW/95 pk.  aftakas vermogen

4,5 ton: max. 90 kW/122 pk.  aftakas vermogen

5   ton:  max. 103 kw /140pk  aftakas vermogen  ( Damesklasse)

5,5 ton: max. 110 kW/150pk. aftakas vermogen

6,5 ton: max. 130 kW/177pk.  aftakas vermogen

8    ton: geen kw/pk limieten.

11  ton: geen kw/pk limieten.

 

Bij de tractoren in de damesklasse die voor de vermogenstest in aanmerking komen zal de reguliere bestuurder van de trekker hem moeten aanbieden ter controle.

 

ER WORDT MAXIMAAL  5 MIN. GEWACHT.

 

 

2 b. Voor de sportklasse gelden de volgende regels:

 - de tractor moet een standaard voorwielgestuurde landbouwtractor zijn zonder merkvreemde delen.

- de motor met cilinderkop en kleppendeksel moet uiterlijk origineel zijn, aan de originele afmetingen voldoen, en standaard

 geleverd zijn in een voorwiel gestuurde landbouwtrekker.

 - meer dan twee kleppen per cilinder is alleen toegestaan als dit standaard op de trekker geleverd is.

- de motor met brandstofpomp en turbo bepaalt het type.

 - tussen de motor en het koppelingshuis is een tussenplaat toegestaan, mits deze standaard op de tractor aanwezig is.

- de aandrijflijn bestaande uit motor, koppelingshuis, versnellingsbak en achterbrug, moet aan elkaar passen zonder

  tussenplaten, flenzen, aangelaste of verboorde delen.

 - de montage van maximaal één turbo en het in- en uitlaatspruitstuk zijn vrij.

- er mag alleen gebruik worden gemaakt van de origineel op trekker geleverde brandstof inspuitpomp, je mag een   

 vervangende pomp gebruiken  mits voorkomend in de  volgende lijst:

 CAV Roterend, Bosch MW, Bosch VE Roterend, Motorpal, Roosamaster, Stanadyne en Hacoc 5Y.

 de pompen Bosch A en CAV Minimec (Simms)

- er mag maximaal één brandstof inspuitpomp gebruikt worden,waarbij er maximaal één pompelement per cilinder  

 mag worden toegepast.

- ombouwen van viertakt naar tweetakt is niet toegestaan.

- de trekker mag niet voorzien zijn van een intercooler, P-pomp of licentie hiervan.

- elektronisch gestuurde brandstofinspuiting en/of elektronisch gestuurde inspuit nozzles zijn alleen toegestaan als dit  

  standaard op de tractor geleverd is.

 

 

 

 Voor de sportklasse gelden de volgende limieten/beperkingen:

 2,5 ton: maximaal vier cilinders met drukvulling motorinhoud max. 4,0 liter

  maximaal vier cilinders zonder drukvulling motorinhoud max. 5,5 liter

 3,5 ton: maximaal vier cilinders met drukvulling motorinhoud max. 5,5 liter

  maximaal zes cilinders zonder drukvulling motorinhoud max. 7,0 liter

 4,5 ton: maximaal zes cilinders met drukvulling motorinhoud max. 7,0 liter

  maximaal acht cilinders zonder drukvulling motorinhoud max. 11,0 liter

 5,5 ton: geen limieten in cilinderinhoud.

 

 

 

2 c. Voor de super-sportklasse gelden de volgende regels:

 - de tractor moet een standaard voorwielgestuurde landbouwtractor zijn zonder merkvreemde delen.

- de motor met cilinderkop en kleppendeksel moet uiterlijk origineel zijn, aan de originele afmetingen voldoen, en standaard

 geleverd zijn in een voorwiel gestuurde landbouwtrekker

 - tussen de motor en het koppelingshuis is een tussenplaat toegestaan, mits deze standaard op de tractor aanwezig is.

- de aandrijflijn bestaande uit motor, koppelingshuis, versnellingsbak en achterbrug, moet aan elkaar passen zonder

 tussenplaten, flenzen of aangelaste of verboorde delen.

- de trekker mag voorzien zijn van ten hoogste één in de handel verkrijgbare brandstof inspuitpomp, waarvan de keuze en

  grootte  vrij is. Er mogen maximaal twee pompelementen per cilinder worden toegepast.

   Voor de super-sportklasse gelden de volgende limieten/beperkingen:

 

` 3,4 ton: maximaal vier cilinders met drukvulling, motorinhoud max. 5.500 cm3

   3,6 ton: maximaal zes cilinders met drukvulling, motorinhoud max. 7.000 cm3

   4,5 ton: maximaal acht cilinders met drukvulling motorinhoud max. 9,0 liter

   6,5 ton: maximaal acht cilinders met drukvulling motorinhoud max 11,0 liter

 

2 d. Voor de strijd der giganten gelden de volgende regels:

      de tractor moet een standaard voorwielgestuurde landbouwtractor zijn zonder merkvreemde delen.

      de motor met cilinderkop en kleppendeksel moet uiterlijk origineel zijn, aan de originele afmetingen voldoen, en standaard

      geleverd zijn in een voorwiel gestuurde landbouwtrekker

      tussen de motor en het koppelingshuis is een tussenplaat toegestaan, mits deze standaard op de tractor aanwezig is.

      de aandrijflijn bestaande uit motor, koppelingshuis, versnellingsbak en achterbrug, moet aan elkaar passen zonder

       tussenplaten, flenzen of aangelaste of verboorde delen.

      de trekker mag voorzien zijn van ten hoogste één in de handel verkrijgbare brandstof inspuitpomp, waarvan de keuze en

       grootte  vrij is. Er mogen maximaal twee pompelementen per cilinder worden toegepast.

      Voor de  strijd der giganten gelden de volgende limieten/beperkingen:

      5,5 ton: Max.acht cilinders met drukvulling motorinhoud max. 11,0 liter.

      7 ton: Max.acht cilinders met drukvulling motorinhoud max  liters vrij.

 

 

3. In alle klassen mag het motortoerental maximaal 2700 omw/min zijn.

4. Vierwielaandrijving is in alle klassen toegestaan.

5. Bij twijfel aan de legaliteit van een deelnemend voertuig, dient de deelnemer in kwestie te kunnen aantonen dat er 150 trekkers   

 van het betreffende merk en type zijn gefabriceerd.

6. Alleen diesel is als brandstof toegestaan. Het is verboden om andere vloeistoffen, brandstoffen of gassen toe te voegen.

 

C. Veiligheid en milieu.  

 

C1. Standaardklassen.

1.  De uitlaat van een tractor met een turbo dient voorzien te zijn van een zichtbaar kruis middels 2 bouten M10 8.8 of hogere

    kwaliteit op maximaal 250 mm van het uitlaathuis van de turbo, tenzij de standaard uitlaat mét geluidsdemper wordt gebruikt.

2.  In alle klassen mag het motortoerental niet meer dan 30% hoger zijn dan het standaard toerental met een maximum van 2700

    omw./min.

3.  De tractor moet voorzien zijn van een veiligheidscabine of een rolbeugel (hierna ROP te noemen). Een ROP moet gemaakt  zijn

    van stalen buizen van minimaal 80 mm x 80 mm x 8 mm. De buizen moeten gelast zijn op twee stalen platen die minimaal 30

    mm dik zijn. Beide platen moeten aan de trompetten van de tractor bevestigd zijn met vier M20 8.8 bouten. In de

    Standaardklasse tot 2500 kg volstaan buizen van 60 mm x 60 mm x 4 mm en platen van 15 mm dik. In de Standaardklasse tot

    3500 kg volstaan buizen van 70 mm x 70 mm x 4 mm en platen van 15 mm dik. In de Standaardklasse tot 4500 kg volstaan

    buizen van 80 mm x 80 mm x 4,5 mm en platen van 20 mm dik. In de Standaardklasse tot 5500 kg volstaan buizen van 80 mm

    x 80 mm x 6,3 mm en platen van 30 mm dik. Indien denkbeeldig een lat op de voorkant van de neus van de tractor tot bovenop

    de ROP gelegd wordt, dient de deelnemer, zittend op de stoel, onder die denkbeeldige lat te blijven. De ROP heeft als doel de

    deelnemer te beschermen in het geval de tractor over de kop gaat tijdens een wedstrijd. Het ontwerp, of een ROP die is

    gebouwd volgens de gegeven specificaties, moet niet worden beschouwd als een automatische garantie dat deze altijd

    voldoende bescherming biedt voor de deelnemer tijdens een ongeval. De ROP-specificaties moeten worden gezien als

    minimum eisen en adviserende richtlijnen. De organisatie kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor de consequenties

    voortkomend uit toepassing van de ROP-specificaties of het niet functioneren van desbetreffende veiligheidsvoorziening.

4.  Reclameborden zijn toegestaan, mits deze niet buiten de tractor uitsteken en het zicht van de deelnemer niet belemmeren. Met

    uitzondering van borden draaiend gemonteerd in het wiel mogen borden niet beweegbaar aan de tractor zijn gemonteerd.

 

C2. Sportklassen.

1. De tractor moet voorzien zijn van twee toerentalmeetpunten. Het eerste meetpunt bestaat uit één (1) reflectiesticker op het

   vliegwiel of de krukaspoelie. Het oppervlak van het vliegwiel of de krukaspoelie moet matzwart zijn. Het tweede meetpunt dient

    te bestaan uit een sensor met bekabeling en aansluitpunt. Om de sensor te laten detecteren moet er bij de krukaspoelie of het

   vliegwiel een uitstulping gemaakt worden die de sensor steeds kan detecteren als deze uitstulping voorbij komt. Deze uitstulping

    moet minimaal 15 mm hoog zijn en minimaal zo breed als de kop van de sensor. De bovenzijde van deze uitstulping moet glad

   en vlak zijn. De kop van de sensor dient maximaal 5 mm van de uitstulping af gemonteerd te zitten. De sensor dient met een

   niet onderbroken kabel verbonden te zijn naar een drie-polige Cobo inbouw stekkerhuis. Dit stekkerhuis dient gemonteerd te zijn

   nabij de aansluiting voor de noodstop aan de achterkant van de tractor.

2. De turbo moet volledig (360 graden) afgeschermd zijn met minimaal 2 mm plaatstaal, met uitzondering van de in- en

   uitlaatpijpen. Deze afscherming moet wel tot aan het kruis van de uitlaat lopen, waarbij tussen de uitlaat en de afscherming

   maximaal 20 mm ruimte zit. De afscherming dient er voor te zorgen dat er geen turbowielen of andere delen van de turbo uit

   komen in het geval van een turbo explosie. De afscherming dient op minimaal vier (4) punten met M8 8.8 bouten zo dicht

    mogelijk aan de turbo bevestigd te worden. De motorkap kan geen deel uitmaken van de afscherming. Een open onderzijde

  (max. 90 graden) is toegestaan, mits de machine een gesloten motorkap constructie heeft en de afscherming dient tenminste 50

   mm onder de turbo uit te steken. Het deel van de uitlaatpijp vanaf de turbo tot het verticale deel dient een wanddikte te hebben

  van minimaal 2 mm en dient zorgvuldig aan de uitlaatflens van de turbo bevestigd te zijn.

3. De tractor moet voorzien zijn van een degelijke stoel met heupgordel.

4. De tractor moet voorzien zijn van een noodstopinstallatie.

5. De tractor moet voorzien zijn van een dodemansgashendel. Alle gashendels dienen zo te werken dat bij meer

   gas de hendel naar voren moet worden gedrukt. Een hydraulische overbrenging is niet toegestaan. De gashendel dient

   eendubbelwerkende mechanische verbinding te zijn die automatisch naar de gas-dichtpositie gaat. De tractor mag niet voorzien

   zijn van een gaspedaal.

6. Alleen mechanisch aangrijpende koppelingen zijn toegestaan. Elektronische, pneumatische of hydraulische systemen die de

   werking van de koppeling beïnvloeden zijn niet toegestaan. Het bedienen van het druklager van de koppeling mag wel

   hydraulisch geschieden.

7. Tractoren met turbo die een uitlaatpijp hebben van 95 mm of kleiner dienen voorzien te zijn van een kruis in de uitlaat middels

    twee (2) bouten M10 8.8 of hogere kwaliteit, die onderling maximaal 25 mm van elkaar af zitten. De eerste bout vanaf de turbo,

   mag op maximaal 250 mm van het uitlaathuis van de turbo zitten. De tweede bout dient haaks op de eerste bout te zitten.

   Tractoren met turbo die een uitlaatpijp hebben die groter is dan 95 mm dienen een kruis in de uitlaat te hebben middels vier (4)

   bouten M10 8.8 of hogere kwaliteit. De derde bout onder een hoek van 45 graden op de tweede bout en de vierde bout haaks

   op de derde bout. Alle bouten dienen van buiten de uitlaat goed zichtbaar te zijn en uitneembaar bij de inspectie.

8. Een uitlaat dient recht omhoog gericht te zijn.

9. Indien een uitlaatpijp met alleen een klem vast zit aan de turbo, dan dient de uitlaatpijp nog extra bevestigd te worden aan de

   tractor.

10. Computers voor het aansturen/beheersen van de mechanische werking van de tractor zijn niet toegestaan, tenzij

     standaard geleverd.

11. De tractor moet voorzien zijn van een koppelingshuis afscherming. Deze dient te bestaan uit een plaat van minimaal 8 mm

     staal rondom het koppelingshuis vanaf 30 mm voor het vliegwiel tot 30 mm na het druklager. Het gebruik van een bellhousing

     of een schervendeken is ook toegestaan.

12. Een bellhousing is alleen toegestaan als koppelingsafscherming, mits de achterbrug origineel aan de motor kan blijven passen.

     De spacer mag maximaal 35 mm dik zijn. Een spacer mag alleen gebruikt worden in combinatie met bellhousing als

     koppelingsafscherming.

13. Een brandscherm tussen het motorcompartiment en de deelnemer is verplicht. Dit dient te lopen vanaf de bovenzijde van de

     motorkap tot aan de bovenzijde van de ‘torque tubes’, het koppelingshuis of versnellingsbakhuis, en van zijscherm tot

      zijscherm. Het scherm dient te zijn gemaakt van staal (gebruik van roestvast staal wordt dringend aanbevolen) met een

      minimale dikte van 2 mm.

14. De tractor moet voorzien zijn van een rolkooi of een rolbeugel. Een rolbeugel (hierna ROP te noemen) moet

      gemaakt zijn van stalen buizen van minimaal 80 mm x 80 mm x 4,5 mm (of ronde buis van 95 mm x 5 mm). De buizen moeten

      in twee stalen platen gemaakt zijn die minimaal 20 mm dik zijn en zowel aan de onderkant (inwendig) als aan de bovenkant

     gelast zijn. Beide platen moeten aan de trompetten van de tractor bevestigd zijn met vier M16 8.8 bouten. Voor de Sportklasse

     tot 2500 kg volstaan buizen van 60 mm x 60 mm x 4 mm (of ronde buis van 76,1 mm x 3,65 mm) en platen van 15 mm dik.

     Indien denkbeeldig een lat op de voorkant van de neus van de tractor tot bovenop de ROP gelegd wordt, dient de deelnemer,

     zittend op de stoel, onder die denkbeeldige lat te blijven. De ROP mag ook deelbaar of neerklapbaar gemaakt worden. Bij een

     deelbare beugel dient er minimaal 300 mm overlap te zijn. De ROP heeft als doel de deelnemer te beschermen in het geval de

      tractor over de kop gaat tijdens een wedstrijd. Het ontwerp, of een ROP die is gebouwd volgens de gegeven specificaties,

       moet niet worden beschouwd als een automatische garantie dat deze altijd voldoende bescherming biedt voor de deelnemer

      tijdens een ongeval. De ROP-specificaties moeten worden gezien als minimum eisen en adviserende richtlijnen. De

      organisatie kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor de consequenties voortkomend uit toepassing van de

       ROP-specificaties of het niet functioneren van desbetreffende veiligheidsvoorziening.     

15. In alle klassen mag het motortoerental niet meer dan 30% hoger zijn dan het standaard toerental met een maximum van 2700

     omw./min.

16. Reclameborden zijn toegestaan, mits deze niet buiten de tractor uitsteken en het zicht van de deelnemer niet belemmeren. Met

     uitzondering van borden draaiend gemonteerd in het wiel mogen borden niet beweegbaar aan de tractor zijn gemonteerd.

17. Het gebruik van titanium turbowielen is niet toegestaan

 

C3. Supersportklassen.

1. De tractor moet voorzien zijn van twee toerentalmeetpunten. Het eerste meetpunt bestaat uit één (1) reflectiesticker op het

    vliegwiel of de krukaspoelie. Het oppervlak van het vliegwiel of de krukaspoelie moet matzwart zijn. Het tweede meetpunt dient

    te bestaan uit een sensor met bekabeling en aansluitpunt. Om de sensor te laten detecteren moet er bij de krukaspoelie of het

   vliegwiel een uitstulping gemaakt worden die de sensor steeds kan detecteren als deze uitstulping voorbij komt. Deze uitstulping

    moet minimaal 15 mm hoog zijn en minimaal zo breed als de kop van de sensor. De bovenzijde van deze uitstulping moet glad

   en vlak zijn. De kop van de sensor dient maximaal 5 mm van de uitstulping af gemonteerd te zitten. De sensor dient met een

   niet onderbroken kabel verbonden te zijn naar een drie-polige Cobo inbouw stekkerhuis. Dit stekkerhuis dient gemonteerd te zijn

   nabij de aansluiting voor de noodstop aan de achterkant van de tractor.

2. De turbo moet volledig (360 graden) afgeschermd zijn met minimaal 2 mm plaatstaal, met uitzondering van de in- en

   uitlaatpijpen. Deze afscherming moet wel tot aan het kruis van de uitlaat lopen, waarbij tussen de uitlaat en de afscherming

   maximaal 20 mm ruimte zit. De afscherming dient er voor te zorgen dat er geen turbowielen of andere delen van de turbo uit

   komen in het geval van een turbo explosie. De afscherming dient op minimaal vier (4) punten met M8 8.8 bouten zo dicht

   mogelijk aan de turbo bevestigd te worden. De motorkap kan geen deel uitmaken van de afscherming. Een open onderzijde

  (max. 90 graden) is toegestaan, mits de machine een gesloten motorkap constructie heeft en de afscherming dient tenminste 50

   mm onder de turbo uit te steken. Het deel van de uitlaatpijp vanaf de turbo tot het verticale deel dient een wanddikte te hebben

   van minimaal 2 mm en dient zorgvuldig aan de uitlaatflens van de turbo bevestigd te zijn.

3. De tractor moet voorzien zijn van een degelijke stoel met vier-puntsgordel.

4. De tractor moet voorzien zijn van een noodstopinstallatie.

5. De tractor moet voorzien zijn van een dodemansgashendel. Alle gashendels dienen zo te werken dat bij meer

   gas de hendel naar voren moet worden gedrukt. Een hydraulische overbrenging is niet toegestaan. De gashendel dient een

   dubbelwerkende mechanische verbinding te zijn die automatisch naar de gas-dichtpositie gaat. De tractor mag niet voorzien zijn

   van een gaspedaal.

6. Alleen mechanisch aangrijpende koppelingen zijn toegestaan. Elektronische, pneumatische of hydraulische systemen die de

   werking van de koppeling beïnvloeden zijn niet toegestaan. Het bedienen van het druklager van de koppeling mag wel

   hydraulisch geschieden.

7. Tractoren met turbo die een uitlaatpijp hebben van 95 mm of kleiner dienen voorzien te zijn van een kruis in de uitlaat middels

    twee (2) bouten M10 8.8 of hogere kwaliteit, die onderling maximaal 25 mm van elkaar af zitten. De eerste bout vanaf de turbo,

    mag op maximaal 250 mm van het uitlaathuis van de turbo zitten. De tweede bout dient haaks op de eerste bout te zitten.

     Tractoren met turbo die een uitlaatpijp hebben die groter is dan 95 mm dienen een kruis in de uitlaat te hebben middels vier (4)

    bouten M10 8.8 of hogere kwaliteit. De derde bout onder een hoek van 45 graden op de tweede bout en de vierde bout haaks

    op de derde bout. Alle bouten dienen van buiten de uitlaat goed zichtbaar te zijn en uitneembaar bij de inspectie.

8.  Een uitlaat dient recht omhoog gericht te zijn.

9.  Indien een uitlaatpijp met alleen een klem vast zit aan de turbo, dan dient de uitlaatpijp nog extra bevestigd te worden aan de

    tractor.

10. Computers voor het aansturen/beheersen van de mechanische werking van de tractor zijn niet toegestaan, tenzij

     standaard geleverd. Electronische brandstofpompen zijn wel toegestaan.

11. Van alle tractoren dienen het vliegwiel en de drukgroep te voldoen aan de door de NTTO gestelde eisen.

12. De tractor moet voorzien zijn van een koppelingshuis afscherming. Deze dient te bestaan uit een plaat van minimaal 8 mm

     staal rondom het koppelingshuis vanaf 30 mm voor het vliegwiel tot 30 mm na het druklager. Het gebruik van een bellhousing

     of een schervendeken is ook toegestaan.

13. Een bellhousing is alleen toegestaan als koppelingsafscherming, mits de achterbrug origineel aan de motor kan blijven passen.

     De spacer mag maximaal 35 mm dik zijn. Een spacer mag alleen gebruikt worden in combinatie met bellhousing als

      koppelingsafscherming.

14. Een brandscherm tussen het motorcompartiment en de deelnemer is verplicht. Dit dient te lopen vanaf de bovenzijde van de

     motorkap tot aan de bovenzijde van de ‘torque tubes’, het koppelingshuis of versnellingsbakhuis, en van zijscherm tot

     zijscherm. Het scherm dient te zijn gemaakt van staal (gebruik van roestvast staal wordt dringend aanbevolen) met een

     minimale dikte van 2 mm.

15. De tractor moet voorzien zijn van een rolkooi.

16. In alle klassen mag het motortoerental niet meer dan 30% hoger zijn dan het standaard toerental met een maximum van 2700

     omw./min.

17. Reclameborden zijn toegestaan, mits deze niet buiten de tractor uitsteken en het zicht van de deelnemer niet belemmeren. Met

     uitzondering van borden draaiend gemonteerd in het wiel mogen borden niet beweegbaar aan de tractor zijn gemonteerd.

18. De tractor moet zijn uitgevoerd met:

      a. Veiligheidsframe van staal uit één stuk (niet deelbaar). Deze dient gemonteerd te worden met tenminste vier (4) bouten aan

          het achterashuis en voor het vliegwielhuis aan het hoofdframe of motorblok met tenminste drie M14 8.8 bouten. of

     b. Een totaalframe uit één stuk (niet deelbaar), dat loopt vanaf de voorzijde van de tractor tot aan de bevestigingsgaten op het

         achterashuis. of

      c. Een deelbaar frame onder de volgende voorwaarden: - De deelbare frameconstructie dient van staal te zijn en loopt vanaf de

         voorzijde van de tractor tot aan de bevestigingsgaten van de achteras. - De twee delen dienen in elkaar te passen (volgens

         een schuifconstructie) ter plaatse waar de tractor kan worden gedeeld (ter plaatse van de koppeling). - De beide delen

         dienen gemaakt te zijn van buizen of U-vormig staal met een wanddikte van minimaal 3 mm. - Als het frame gemaakt is van

         U-vormig staal, dan dient er aan de binnenzijde een U-vormige verbinding te zijn van minimaal 500 mm lengte (250 mm in

         het achterste deel en 250 mm in het voorste deel van het U-vormige deelbare frame). - Als het frame gemaakt is van buizen,

         dan dient er een binnenbuis te zijn met een minimale lengte van 500 mm (250 mm in het achterste deel en 250 mm in het

          voorste deel van het buizenframe). - Het achterdeel van het frame dient gemonteerd te worden met ten minste vier (4)

         bouten aan het achterashuis. Het achterdeel van het frame dient aan de voorzijde ter plaatse van het vliegwiel met minimal

         drie (3), 14 mm 8.8 bouten aan de zijkant van het motorblok of motorplaat gemonteerd te worden. - De twee delen van het

         frame moeten met tenminste 2 stalen bouten van 8 mm geborgd worden.

19. Het veiligheidsframe, totaalframe of deelbare frame dient zo sterk te zijn dat dit het gewicht van de tractor kan dragen wanneer

      de bouten van de verbinding motorblok/vliegwielhuis zijn verwijderd.

20. De tractor moet aan beide zijden voorzien zijn van motorafscherming. De afscherming dient de gehele lengte van het

     motorblok te beslaan en dient stevig gemonteerd te zijn. De afscherming dient gemaakt te zijn van staal of aluminium met een

     minimale dikte van 2 mm. Motorsteunen, filters, stuurassen en dergelijke kunnen geen deel uitmaken van de afscherming.

     Degelijke chassisbalken zonder gaten kunnen deel uitmaken van – dan wel dienen als – afscherming, indien ze de vereiste

     delen van het motorblok afschermen. Het is aan te bevelen de afscherming met snelsluitingen te monteren, waardoor een

     sneller handelen bij brand en/of andere storingen mogelijk is. Het gebruik van bouten en moeren wordt afgeraden. De

     motorafscherming dient van plaat te zijn. De motorkap kan als afscherming dienen. De afscherming dient het motorblok over

     de volle lengte te bestrijken. In de hoogte dient de afscherming het blok te bestrijken vanaf de kop van het blok tot 50 mm

     onder het draaiingsvlak van de krukas. De bevestiging van de kap en motorafscherming dient voldoende sterk te zijn om deze

     in het geval van een explosie op zijn plaats te houden.

21. Startmotoren, brandstoffilters, oliefilters en brandstofpompen kunnen geen deel uitmaken van de afscherming. De afscherming

     mag de brandstofpomp afschermen of er achter langs lopen.

22. De afscherming voor V- en Y-type motoren moet zijn bevestigd vanaf de bovenkant van de cilinderbank tot 50 mm beneden het

     laagste punt van de krukas. De afscherming dient stevig gemonteerd te zijn.

23. De motorafscherming dient onafhankelijk van het motorblok te worden gemonteerd. Het is wel toegestaan de afscherming te

     monteren aan het chassis, de motorsteun, de uitlaatbevestiging of de motorplaat van de koppelingsafscherming.

24. Koelventilatoren moeten rondom zijn afgeschermd met minimaal 2 mm dik staal.

25. Alle andere draaiende motordelen dienen over 360 graden te worden afgeschermd met minimaal 2 mm dik staal.


 

 

 

 

D. Banden.

1. Er mag alleen worden deelgenomen met tractoren op rubberbanden. Stalen kammen, rupsbanden, kettingen of iets dergelijks

 zijn niet toegestaan.

2. De bandenmaat en het gebruik van dubbellucht is vrij.

3. De totale breedte van de tractor mag niet meer dan 3 meter bedragen.

 

 


E. Steigerbegrenzers.

1. Steigerbegrenzers zijn verplicht,  vanaf 8 ton hoeven de 4 wiel aangedreven

     trekkers er niet van te voorzien zijn zodra alle verplaatsbare gewicht voor

     de vooras bevestigd is.

2. De hefinrichting mag worden gebruikt op voorwaarde dat deze degelijk is

 geblokkeerd en eventueel aanwezige snelkoppelingen degelijk zijn

 vergrendeld.

3. Steigerbegrenzer en trekhaak mogen op geen enkele manier met elkaar zijn

 verbonden.

4. De steigerbegrenzer moet het voertuig kunnen dragen in de zwaarste

  gewichtsklasse waarin  het deelneemt.   

5. De steigerbegrenzer dient te voldoen aan de maatvoering volgens figuur.

6.  Achter het aanhaakpunt mag geen verbinding zijn tussen beide poten of

 trekstangen (hefarmen).

 

 

 

F. Trekhaak.

1. De trekhaak mag geen constructieve verbinding hebben met een punt

  hoger dan de hartlijn van de achteras. De trekhaak moet in alle

    richtingen  spelingvrij gemonteerd zijn.

2. De trekhaak dient horizontaal gemonteerd te zijn.

3. Het aanhaakpunt mag maximaal 50 cm hoog zijn tot 5500 kg.(standaard)

Het aanhaakpunt mag maximaal 60 cm hoog zijn vanaf 5500 kg.  (standaard)

 Het aanhaakpunt mag maximaal 50 cm hoog zijn in de sportklassen.

4. Een trekhaak korter dan 45 cm uit het hart van het achterwiel tot hart

  aanhaakgat is niet toegestaan.

5. De trekhaak dient te zijn voorzien van een aanhaakgat met een

 diameter van 7,5 cm.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

6. Bij een tractor met voorasvering word de trekhaakhoogte gemeten in de laagst mogelijke stand van de voorasvering

7. Een trekhaak met dubbele lip en de kipperknobbel krijgen allemaal een

 losse  ring  tussen de ketting en trekhaak.Hierbij word de lengte en   hoogte van de vaste trekhaak  

    gehanteerd.

8. De trekhaak dient te voldoen aan de maatvoering volgens figuur.

9. Een ruimte van 15 cm breed en 30 cm hoog boven de trekhaak dient vrij te blijven van elk obstakel (inclusief gewichten en steigerbegrenzers) voor gemakkelijk aan- en afkoppelen aan de sleepwagen.

10. De tractor moet zijn voorzien van een degelijk front-aanhaakmogelijkheid.

 

G. vermogens/toeren meting.

1.  De deelnemer dient zelf de mogelijkheid te bieden om bij de trekker het toerental of het vermogen te kunnen meten. Indien om

     welke reden dan ook de meting niet binnen drie minuten te meten is volgt een diskwalificatie van de trekpoging.

2.  De vermogensmeting moet met een slingervrije aftakas gebeuren, en het aankoppelen van de aftakas aan de vermogenstester   

      moet soepel gaan en zonder verloopstukken mogelijk zijn.

3.  De vermogensmeting voor tractoren in de 5,5 en 6,5 ton moet vol gas en op de 1000 toeren aftakas gebeuren.

4.  Alle sportklassen moeten zijn voorzien van twee toerentalmeetpunten.

     Het eerste meetpunt bestaat  uit een reflectiesticker op het vliegwiel of de krukaspoelie.  Het oppervlak van het vliegwiel of de

     krukaspoelie moet matzwart zijn. Het tweede meetpunt dient te bestaan uit een voorgeschreven sensor met

     bekabeling en aansluitpunt.

 

H. Gewichten.

1. De genoemde gewichten zijn inclusief bestuurder.

2. De ballastgewichten mogen niet achter de achterwielen uitsteken.

3. De ballastgewichten mogen geen gevaar voor de bestuurder opleveren en hem op geen enkele manier hinderen.

4. De ballastgewichten moeten stevig en niet beweegbaar aan de tractor bevestigd zijn.

5. De frontgewicht(en) en/of gewichtendrager mogen niet verder dan 125 cm voor het voertuig uitsteken, gemeten vanaf de

 voorkant van de grill. En niet breder zijn dan de ruimte tussen de spatborden.

 Voor de 11 ton klasse geldt 150 cm mits het een standaard uitrusting betreft.

6.  Een deelnemer moet met zijn tractor op een normale manier over de weegbrug kunnen rijden zonder dat hierbij de

 gewichten op enigerlei wijze de weegbrug raken, en krijgt één herkansing per klasse zich te wegen.

I. Kantelbeveiliging.

1.  De tractor moet voorzien zijn van een goedgekeurde kantelbeveiliging of een veiligheidscabine.

2. Een zelfgebouwde kantelbeveiliging moet voldoen aan de in de Nederlandse wet gestelde eisen.

3. Indien een trekker voorzien is van een rolkooi dient de rijder tijdens de trekpoging een helm en een 4- punts gordel  te dragen.

 

J. Trekpoging.
 1. Na maximaal drie trekpogingen wordt de definitieve afstelling van de sleepwagen bepaald.

2. Wanneer de eerste vijf deelnemers uit een klasse een full-pull maken, heeft de wedstrijdleiding het recht om de klasse

 opnieuw te laten beginnen, in de oorspronkelijke startvolgorde.

3. Iedere deelnemer dient binnen één minuut nadat de sleepwagen in de startpositie is geplaatst en de beginvlagger een

 teken heeft gegeven te zijn aangekoppeld aan de sleepwagen.

4. De tractor moet met een strak getrokken ketting aan zijn trekpoging beginnen. Rukken is niet toegestaan, ook niet tijdens

  de trekpoging.

5. Een deelnemer mag pas dan aan zijn trekpoging beginnen als de begin- en eindvlagger de groene vlag geven.

6. Wanneer een deelnemer binnen de tien meter vrijwillig stopt, mag hij de trekpoging overdoen,voor de sport en super-sport

 geldt twintig meter.Dit mag maar één maal gebeuren.

7. Tijdens de trekpoging heeft niemand, behalve de baanfunctionarissen en de bestuurder van het voertuig, toegang tot de

 baan. Als baan wordt beschouwd de wedstrijdbaan tussen de witte kalklijnen.

8. Als enig deel van de tractor tijdens de trekpoging buiten de baan raakt, wordt de deelnemer afgevlagd en volgt

 diskwalificatie van de trekpoging.

9. Overmatig verlies van koelvloeistof is niet toegestaan, tenzij dit het gevolg is van materiaalbreuk. Overmatig verlies van

 vloeistof wordt gedefinieerd als een constante stroom vloeistof op de baan of een plas met een doorsnede groter dan 20 cm.

10. Wanneer door een van de vlaggers de rode vlag wordt gegeven, dient de deelnemer onmiddellijk te stoppen. Bij overtreding volgt diskwalificatie.

11. Een trekpoging kan om een van de volgende redenen ongeldig worden verklaard:

   - verlies van ballastgewichten zolang het voertuig op de baan en onder de groene vlag rijdt.

   - verlies of het niet goed functioneren van veiligheidsonderdelen onder de groene vlag.

   - overmatig verlies van vloeistof door een voertuig onder de groene vlag (uitgezonderd materiaalbreuk).

   - het op onveilige wijze besturen van een voertuig.

   - het niet tijdig aan de start verschijnen met een voertuig.

   - het buiten de baan raken van het voertuig.
 

K. Wedstrijd.
 1. a.  Per klasse kan slechts eenmaal met dezelfde machine worden gereden, en mag maximaal in twee klassen uitkomen.

b.  Per klasse kan een deelnemer slechts één keer aan de start verschijnen,en mag maximaal in twee klassen uitkomen.

c.  Dezelfde bestuurder mag op dezelfde trekker in meerdere klassen meedoen.

2. Een klasse kan opnieuw worden gestart wanneer door onvoorziene omstandigheden de baan zoveel is veranderd, dat er

 van een rechtvaardige competitie geen sprake meer is. De oorspronkelijke startvolgorde wordt dan weer gehanteerd.

3. De wedstrijdjury, bestaande uit wedstrijdleider, beginvlagger, eindvlagger en sleepwagen bemanning heeft de bevoegdheid

 tot het nemen van beslissingen tijdens de wedstrijd. Deze zijn bindend voor alle betrokken partijen.

4. De organisatie heeft de bevoegdheid om een deelnemer vóór of tijdens de wedstrijd op technische gronden te

 diskwalificeren voor de trekpoging, en kan op elk moment een trekker aanwijzen voor een nadere controle. Dit kan zijn voor

 een vermogenstester en toerenmeting.
 

Voor de Slep klassen geldt het geldende Slep reglement.

De aanvullingen op het reglement zijn met rood aangegeven